Het ouderlijk gezag

Onderstaande informatie is gebaseerd op de geldende wetgeving, de rechtsleer en de deontologische code. Het feit dat we deze informatie publiceren is geen standpuntinname, maar vloeit voort uit de wens van de Psychologencommissie om psychologen te informeren over de voor hen relevante regelgeving. De gegeven informatie is bovendien niet te beschouwen als een bindend advies of een advies op maat. De toepassing ervan valt steeds onder de verantwoordelijkheid van de psycholoog zelf die zijn afweging maakt in functie van de specifieke situatie. 

Gebruikte afkortingen: WPR = Wet op de Patiëntenrechten; DC = Deontologische Code; BW = Burgerlijk Wetboek

 

Het ouderlijk gezag omvat een heel aantal rechten en plichten, waaronder alle belangrijke beslissingen die voor of over het kind worden genomen. Onder normale omstandigheden zijn het de ouders die deze beslissingen op zich nemen. Zij spreken zich uit over (art. 374A1, 2e lid BW):

  • de huisvestiging,
  • gezondheid,
  • opvoeding,
  • opleiding,
  • ontspanning
  • de godsdienstige en levensbeschouwelijke keuze van de minderjarige.

Dit ouderlijk gezag heeft steeds een functioneel en doelgebonden karakter1: het dient het belang van het kind. Zo is het niet de bedoeling dat ouders het ouderlijk gezag gebruiken om een persoonlijk voordeel te bekomen. De ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige moeten steeds het uitgangpunt zijn in de beslissingen die zij nemen.

 

Wie oefent het ouderlijk gezag uit?

Drie situatie zijn mogelijk:

1. De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag

Als basisprincipe oefenen beide ouders, of ze nu samenleven of niet, samen het ouderlijk gezag uit (art. 373, 1e lid BW). Elke ouder moet daarom de toestemming van de andere ouder hebben om een belangrijke beslissing te nemen over het kind. Wanneer het kind als gevolg van een scheiding bij slechts A(C)A(C)n ouder inwoont, betekent dit dus niet dat deze ouder alleen het ouderlijk gezag uitoefent.

Wanneer een ouder zich bij het uitoefenen van zijn ouderlijk gezag tot een psycholoog richt voor zijn kind, dan kan deze psycholoog er in principe van uitgaan dat de andere ouder met die beslissing instemt. Er is dan sprake van een vermoeden van instemming (art. 373, 2e lid BW). Vraagt een moeder u om haar kind te begeleiden? Dan bent u dus niet verplicht om proactief de andere ouder te contacteren om zijn akkoord expliciet te vragen. Met deze bepaling wil de wetgever derden  beschermen en hun praktijk werkbaar houden2.

Het vermoeden van toestemming geldt echter alleen ten opzichte van derden die ter goeder trouw zijn. Zo bent u niet ter goeder trouw wanneer u op de hoogte bent van onenigheid tussen beide ouders of wanneer u verondersteld wordt daarvan op de hoogte te zijn. In dit geval moet u dus wel de toestemming van de andere ouder vragen3. Het feit dat de ouders niet meer samenleven is in principe niet voldoende is om te concluderen dat er een vermoeden is van onenigheid. Wel heeft het vermoeden van instemming een groter gewicht indien  de ouders nog samenleven4.

Artikel 15 van de Code stelt dat u zich steeds dient te informeren over de eventuele conflictueuze context waarin u om advies wordt gevraagd. Win dus de nodige informatie in tijdens het eerste contact met de minderjarige en de ouder(s).

 

2. De toewijzing van het ouderlijk gezag aan A(C)A(C)n van beide ouders

Hoewel dit slechts voorkomt in uitzonderlijke gevallen kan een rechter het ouderlijk gezag exclusief toevertrouwen aan A(C)A(C)n van beide ouders of zelfs aan een derde (vb. een grootouder). Dit kan wanneer (art. 374 A1, 2e lid BW):

  • De ouders niet overeenkomen over de organisatie van de huisvesting van het kind,
  • De ouders geen consensus vinden over belangrijke beslissingen over de gezondheid, de opvoeding, de opleiding en de ontspanning van het kind en over zijn godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes
  • De gezamenlijk genomen beslissingen strijdig lijken met het belang van het kind

De rechter kan dit exclusief ouderlijk gezag vastleggen voor alle beslissingen met betrekking tot het kind .Er is dan sprake van een exclusieve uitoefening. Hij kan zich ook beperken tot een welbepaald domein (vb. gezondheidszorg of opleiding) of tot een specifiek te nemen beslissing (bv. wanneer de ouders het niet eens geraken over het al dan niet opstarten van een psychologische begeleiding). Hij kan eveneens vastleggen voor welke beslissingen de instemming van beide ouders wel noodzakelijk is (art. 374 A1, 3e lid BW).

De ouder die het ouderlijk gezag niet langer uitoefent heeft geen rechtstreekse inspraak in de beslissingen die de rechter aan de andere ouder heeft toevertrouwd. Wanneer deze ouder niet akkoord gaat met een bepaalde beslissing, kan hij zich wel nog tot de familierechter wenden.

Het is belangrijk om te noteren dat de ouder zonder ouderlijk gezag normaliter wel nog zijn recht op persoonlijk contact behoudt5. Hij behoudt eveneens het recht om toezicht te houden op de opvoeding. Uit dit recht op toezicht volgt bovendien een informatierecht: aDe ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de familierechtbank wendena. Deze ouder kan zich dus ook tot u richten voor meer informatie over de begeleiding (art. 374 A1, 4e lid BW)a.

 

3. De ontzetting uit het ouderlijk gezag

In zeer ernstige omstandigheden kan de jeugdrechter een ouder ontzetten uit zijn ouderlijk gezag (art. 32 WBJ). We onderstrepen hierbij dat de ontzetting uit het ouderlijk gezag niet hetzelfde is als de exclusieve toewijzing van het ouderlijk gezag. Het gaat hier om een strafrechtelijke jeugdbeschermingsmaatregel6 in het kader van A(C)A(C)n van de volgende omstandigheden:

  • de vader of de moeder is veroordeeld tot een criminele of correctionele straf volgend op feiten gepleegd op de minderjarige in kwestie of met behulp van A(C)A(C)n van de kinderen of afstammelingen;
  • de vader of de moeder brengt de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar door slechte behandeling, misbruik van gezag, kennelijk slecht gedrag of erge nalatigheid
  • de vader of moeder huwt met een persoon die reeds ontzet is uit ouderlijk gezag over de eigen kinderen.

De ontzetting kan zowel geheel als gedeeltelijk zijn (art. 32 en art. 33 van de Wet betreffende de jeugdbescherming, verder aangeduid met WBJ):

  • Geheel: de ontzetting slaat op alle rechten die uit het ouderlijk gezag voortvloeien. Voor de ontzette ouder betekent dit concreet:
    • uitsluiting van het recht van bewaring en opvoeding;
    • onbekwaamheid om de minderjarige te vertegenwoordigen, tot zijn handelingen toestemming te geven en zijn goederen te beheren;
    • uitsluiting van het recht van genot bedoeld in artikel 384 van het Burgerlijk Wetboek;
    • uitsluiting van het recht om levensonderhoud te vorderen;
    • uitsluiting van het recht om hun nalatenschap geheel of ten dele te verkrijgen
  • Gedeeltelijk: slaat op alle rechten die specifiek door de rechtbank worden vastgelegd.

In beide gevallen wijst de jeugdrechtbank een persoon aan die, onder toezicht, de hierboven vermelde rechten zal uitoefenen en die de bijhorende verplichtingen dient na te komen (art. 34 WBJ).  Deze persoon noemt de provoogd van de minderjarige7.

Noteer dat een ouder die volledig ontzet is uit het ouderlijk gezag alle ouderlijke rechten verliest. Wanneer deze persoon u zou contacteren om informatie op te vragen over de minderjarige, mag u daar dus niet op ingaan.

Tip: kan u uit het verhaal van de ouders niet duidelijk opmaken wat de rechter precies beslist heeft over het ouderlijk gezag, het recht op informatie en het omgangsrecht? Vraag dan even het vonnis aan de ouders.

 

Referenties

1 Van Der Straete, I., & Put, J. (2005). Beroepsgeheim en hulpverlening. Brugge: Die Keure, p. 101; Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 40

2 Laexercice conjoint de laautoritA(C) parentale A laA(C)gard des tiers (16 maart 2015) >> Klik hier

3 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 43

4 Lemmens, C. (2013). De minderjarige en de Wet Patiëntenrechten. Antwerpen: Intersentia,  p. 45-46

5 in het geval dat de rechter ook hier geen andere beslissing over heeft genomen

6 Mathieu G. & Rommelaere C.  aHet beroepsgheim van de klinisch psycholooga in Callens S. & Van Overstraeten M. (eds.) (2017). Het beroep van psycholoog en de uitoefening van de klinische psychologie. Limal: Anthemis, p. 221

7 Swennen F. (2014). Het personen- en familierecht. Anwerpen: Intersentia, p. 410-411

 


 
Deel deze pagina